Hoe werkt ons oog eigenlijk?

Om goed te zien is het nodig dat voorwerpen uit de omgeving een scherp beeld projecteren op ons netvlies. In het normale oog zorgen het hoornvlies en de ooglens ervoor, dat een object dat veraf ligt een scherp beeld geeft op het netvlies. Het oog zit vrij complex in elkaar.

Scherp stellen
Het oog heeft twee lenzen: het hoornvlies (cornea) en de eigenlijke lens (ooglens). Tussen de twee lenzen bevindt zich het diafragma: de pupil (regenboogvlies). Scherp stellen gebeurt door het instellen van de ooglens. U kunt dit vergelijken met een fotocamera: door de fotolens te verstellen, zorgt u ervoor dat binnenvallende stralen zo door de lens worden gebroken, dat ze precies samenkomen en uw foto scherp wordt.

Bijziend of verziend
Als uw ooglens niet goed werkt, vallen de lichtstralen niet samen op uw netvlies, maar er precies voor of achter. Dat maakt het beeld onscherp. Als u bijziend bent, dus in de verte wazig ziet, vallen de lichtstralen samen vóór het netvlies in plaats van erop. Het omgekeerde gebeurt bij verziendheid, wanneer u dus vooral dichtbij scherp ziet. Het brandpunt van de lichtstralen valt ‘achter’ het netvlies, met een onscherp beeld als resultaat.

Boller worden of accommoderen
De brekingssterkte van een lens wordt uitgedrukt in dioptrieën. De ooglens heeft een sterkte van ongeveer 20 dioptrieën. De lens heeft de mogelijkheid van sterkte te veranderen door boller te worden. Hiermee stelt het oog voorwerpen veraf en dichtbij scherp. Dit noemen we accommoderen. U kunt dit niet zelf beïnvloeden, het gaat vanzelf. Op oudere leeftijd wordt de lens minder soepel, waardoor het boller worden steeds moeilijker gaat. Dichtbij lezen zonder leesbril gaat dan niet meer. Als u ouder wordt, kan de lens ook troebel worden. Hierdoor kan licht het netvlies minder goed bereiken. Het gevolg is dat u wazig gaat zien. De vertroebeling van de lens heet staar.